© 2017 Gina Vodegel

Al dagen gieren er zenuwen door mijn lijf. Flarden van heden en verleden wisselen elkaar af, alsof er geen tijd aan te pas is gekomen. Glashelder. Niet de beelden, maar wat ik voel. Als ik me probeer te concentreren, ontsnapt wat ik vast wil houden. Er is geen begin, er is geen eind. Dus val ik maar gewoon met de deur in huis. 

 

Het is bijna tien jaar geleden. Op 13 augustus 1987 overleed mijn broertje aan de gevolgen van inwendige bloedingen. Een sprong van de Euromast in Rotterdam ging hieraan vooraf. Hij was 22 jaar. En elf dagen verwijderd van een verjaardag waarop hij niet zat te wachten. Zelfmoord of het recht op zelfbeschikking? ik kies voor het laatste. Omdat het zijn individualiteit in een juist licht stelt. Ondanks de gevolgen voor anderen. Mezelf incluis.

Al vanaf eind juli zat ik niet lekker in mijn vel. Ik verbleef op mijn oude adres in Maastricht, terwijk ik in Rotterdam een huis deelde met twee vriendinnen. Onrust, hoofdpijn en nare dromen. Maar ik was niet uit Maastricht weg te branden. Het waren dan ook merkwaardige tijden.

Begin augustus wilde mijn broertje naar Rotterdam. Met mij mee, het huis wat verven en opknappen. Ik had hem weken daarvoor al gevraagd of hij wilde helpen, maar daar had hij weinig zin in. En nu wilde ik hem niet in Rotterdam hebben. Precies zo dacht ik het.

Uiteindelijk ben ik op woensdag 12 augustus weer naar Rotterdam gegaan. Na een slapeloze nacht sukkelde de donderdag wat voort, tot er een telefoontje kwam, om 16.30 uur. Mijn broertje. Of ik wat aan het doen was. Ja, op de hond van K. passen. Nee, ik kan moeilijk weg, kom jij maar naar mij toe. Nee, daar gaat het niet om. Waar ben je dan. Op de Euromast. Grote paniek in mijn buik.

Terwijl er door mijn hoofd allerlei beelden tollen, probeer ik mijn broertje alsnog over te halen naar mijn huis te komen. Maar dat mislukt. Nee. "Enfin, je hoort het wel", zegt hij. Klik. En dan barst alles tegelijk los.

Zoals Proust op zoek ging naar verloren tijd, zo vond de tijd mij. Het was echt alsof er een puzzel in fracties van seconden werd opgelost, ervaringen uit het verleden, voorgevoelens... Het vormde een geheel met als grootste gemene deler een overheersend besef van machteloosheid. Want ik kon niet ingrijpen.

Natuurlijk had ik gelijk de politie kunnen bellen. Maar zoiets doe je niet, want stel dat mijn vermoedens niet klopten. En verder, ik zag mezelf ook niet in de tram zitten, met bonkend hart tussen volslagen vreemden, met mijn blik gefixeerd op de Euromast terwijl we bij een stoplicht staan te wachten op groen. Om dan ineens een figuurtje naar beneden te zien gaan, in de wetenschap dat het mijn broertje is. Nee. Dan maar afwachten in onzekerheid. IJsberen door de huiskamer, met op tv een deprimerende Italiaanse speelfilm en stortregen buiten, kletterend tegen de ramen. En tweestrijd.

Nee. Ik kan niets doen. Al zou ik willen. Ik moet hem in zijn eigenwaarde laten, als hij het doet, dan is het zijn eigen keuze. Ik heb het recht niet om in te grijpen, al zou ik het kunnen. Of niet? Nee. Ik wil er niet naar toe, ik wacht hier wel, als er iets gebeurt, of heb ik het mis, nee, wat heeft hij daar te zoeken, waarom vraagt hij of ik kom, hij staat toch niet op me te wachten nu. Nee. Ik ga niet. Hij komt maar hiernaartoe.

Uiteindelijk bleef ik waar ik was, bevangen door het gevoel waar ik een grondige hekel aan had. Machteloosheid. Er gingen zo een paar uur voorbij. K. kwam thuis en niet lang daarna ging de bel. K. deed open. "Er is politie voor je", zei ze. De twee heren in burger kwamen binnen en stelden zich voor. De oudste van hen deed het woord, maar ik viel hem in de rede. "Mijn broertje is zeker van de Euromast gesprongen?", zei ik, met gemengde gevoelens van angst, opluchting en trefzekerheid. "Ja, dat klopt", zo knikte de politieman. "Is hij...", vroeg ik, want tegen beter weten in heb je toch altijd hoop, ik zag flitsen van mijn broertje in een ziekenhuis, gewikkeld in verband, voor mijn part kreupel en zwaar gehandicapt maar in ieder geval niet...

"Ja, hij is overleden". Dreun. "Wist u er soms van", kwam het recherche-instinct om de hoek kijken. Nee, nou, hij heeft me nog gebeld, om half vijf, hoe laat... "Omstreeks vijf uur is hij gesprongen", zei de rechercheur, "hij gaf zijn tas aan iemand die buiten stond te kijken en toen... ja, die vrouw is helemaal van de kaart. Er was ook een huwelijksreceptie aan de gang, in geval van nood worden de liften stopgezet en het bruidspaar kwam vast te zitten, ja, er was nogal wat consternatie."

Onwillekeurig moest ik lachen. Misschien van de zenuwen of emoties. Maar het was zo typisch, ook omdat mijn broertje een macaber gevoel voor humor had. Al zal hij zich van de gebeurtenissen rond zijn daad niet bewust zijn geweest. Later, toen ik zijn lichaam moest identificeren, viel me op dat zijn korte haren nog netjes rechtop stonden, alsof hij er pas gel in had gedaan. Zijn lichaam was met een doek afgedekt, maar zijn gezicht kon ik zien en al liepen er enkele straaltjes gestold bloed uit zijn oren, hij zag er redelijk ongeschonden uit. Met halfgesloten ogen, zodat het leek of hij loensde. En met sproetjes die door talloze kaarsen werden verlicht. Ik had gerust uren in het mortuarium kunnen doorbrengen. Zo zittend in verwondering, kijken naar een gezicht dat zonder de stoffelijke persoonlijkheid van een mens echt slechts een omhulsel is. Dat voel je. Dat weet je.

Wat bracht hem ertoe?

"Ik had gewoon geen toekomst, hoe rijk of arm ik ook zou zijn. Nou zullen jullie wel zeggen, waarom? Ja, het is gewoon iets dat ik moet doen en daar hoef ik geen verklaring voor te geven. Gewoon accepteren en life goes on! Ik zal ook veel dingen missen, m'n vrienden, m'n bezigheden etc. Maar wat heeft het voor zin als die dingen er zijn en je voelt je niet echt happy?"

Voor ouders is het een klap een kind op zulke wijze te moeten verliezen. Temeer daar er meestal een schuldvraag op de proppen komt. Mijn broertje heeft in de laatste weken voor zijn dood wat losse gedachten op papier gezet. En vreemd genoeg beschouwde hij het als onlogisch om er een dagboek op na te houden, omdat "elke dag per slot van rekening anders was". In zijn laatste notities bedankt hij mijn ouders voor alles wat ze voor hem gedaan hadden en is de toon van wat hij schrijft uitermate volwassen en doordacht. Het was geen wanhoopsdaad. De enige wanhoop die ik me kan herinneren, was toen ik hem vertelde dat ik naar Rotterdam ging verhuizen. Grinnik. Achteraf valt de schrik op zijn gezicht makkelijk te verklaren. In zijn briefje voor de politie, of wie zijn tas zou openen, stond een korte verklaring. Dat hij dit al geruime tijd gepland had, dat plots bleek dat zijn zus ook naar Rotterdam zou gaan, "toeval (!?)". En eerlijk gezegd ben ik wel blij dat ik er was, omdat ik me min of meer van een zusterlijke taak heb kunnen kwijten, hoe vreemd het ook klinkt. Hij was niet echt alleen toen hij stierf. Familiebanden zijn op zo'n manier van wezenlijke betekenis. Zelfs al moet je afscheid nemen.

Het grootste gevecht lever je tegen reacties uit de omgeving. Drugs? Homo? Ziek? Als het mijn kind was...

De eerste tijd kom je dan ook nauwelijks toe aan het verwerken van je eigen gevoelens. Je hebt het gevoel dat je voortdurend in de verdediging moet gaan en je loopt op eieren omdat de mensen in je omgeving op eieren lopen. Het is ook zo taboe, hè.

Voor mijn ouders is het verlies van hun zoon anders, dan voor mij het verlies van mijn broertje is. Hij maakte deel uit van hun dagelijks bestaan en leefde in een gezinsverband* waar ik als uitwonende dochter buiten stond. Ik deel hun verdriet en hun herinneringen niet, zoals zij mijn gevoelens en gedachten niet delen. En toch behoor je elkaar daarin te respecteren. Dat valt niet altijd mee.

We zijn nu tien jaar verder. Als er leven na de dood zou zijn, dan zouden we het wel merken. Zo schreef hij.

Vervloekt. Daar zat ik niet bepaald op te wachten. Ik wilde er wel over lezen, maar aan den lijve ondervinden stond niet bovenaan mijn verlanglijstje.

Kort na zijn dood kon ik mijn broertjes aanwezigheid voelen en ruiken en kreeg ik zelfs het gevoel dat het mijn eigen ik overweldigde. ik moest vaak "vechten" om de controle over mezelf niet te verliezen. Het laatste jaar van zijn leven was er een vrij hechte band tussen mijn broertje en mezelf gegroeid. Een gevoelskwestie. Begrijpen zonder woorden. Vandaar ook dat mijn betrokkenheid intens was, mijn aanvoelen vrijwel feilloos.

Misschien daarom dat ik zijn aanwezigheid zo sterk ervoer. Maar het deed me geen plezier. En ik vocht met alle macht tegen de ervaringen die me de stuipen op het lijf joegen.

Totdat ik in een café twee Molukse jongens tegenkwam die ik nog kende van vroeger. Ik besloot met hen te praten, omdat Molukse mensen dichter bij "die dingen" staan dan Indische mensen. Zo dacht ik erover. Het gesprek deed me goed. Ze leerden me dat ik het moest accepteren en dan zou het als vanzelf verdwijnen.

Het bloed kruipt echter waar het niet gaan kan. Een typisch menselijke eigenschap. Naar enge films kijken met een kussen voor je hoofd. Dat idee.

Uiteindelijk raak je ermee vertrouwd. Is de angst verdwenen voor een heilig ontzag. Want er zijn onzichtbare krachten die het gewone menselijke vermogen ontstijgen. En als er in tijden van nood iets is dat je helpt, of waarschuwt of beschermt... Wie ben ik dan om dat te weren?

Op deze wijze schets ik een haast idyllisch contact tussen mijn broertje en mij. Maar feit blijft dat hij een eind aan zijn leven heeft gemaakt omdat hij niet gelukkig was. En niet bij machte te knokken voor de goede zaken in het leven.

Als student aan het conservatorium werd hij door een lerares ongeschikt bevonden. Later bleek dat zijzelf overspannen was en haar oordeel niet gebaseerd op grondige argumenten. Mijn broertje was echter al met de opleiding gestopt en daar viel niet meer aan te tornen. Een computeropleiding kwam ervoor in de plaats. En toen was het op.

Wanneer je stelt dat het leven een kringloop is, een cirkel met begin noch eind, dan heeft mijn broertje voor zichzelf een waardige ontwikkeling doorgemaakt. En gezien tegen de achtergrond en geschiedenis van onze familie, een opmerkelijke zet gedaan. Want waar onze voorouders, -die afkomstig waren uit Amsterdam, Haarlem, Rotterdam en omstreken- ooit Nederland verlieten voor een toekomst in het verre Nederlands Indië, daar voltrok zich voor mijn broertje een kentering in zijn bewustzijn. Een sprong in het onbekende.

Toen ik in 1989 naar de Euromast ben gegaan en over de reling naar beneden keek, kreeg ik zwabberbenen. Maar wat een uitzicht heb je verder, een immens gevoel van vrijheid overkomt je en ik kan me heel goed voorstellen dat het voor mijn broertje precies dat betekende. Een bevrijding.

Voor mij was het een opluchting weer met beide benen op de begane grond te staan. Brrr. Ik kan me namelijk maar tot op beperkte hoogte handhaven. Het is fijn om zo je eigen grenzen te ontdekken. En dan stroomt het leven in volle glorie door je lijf!

Want het gaat door. Het leven. Al dan niet met het geworstel van alledag. Mijn broertje koos voor de dood, maar voor hetzelfde geld was hij naar een ver land verhuisd. En had je om de drie maanden telefonisch contact gehad. Of wie weet was hij nog stokoud geworden, met vrouw en kinderen en een huis in de polder. Nooit geslaagd voor zijn rijbewijs, zodat hij als forens met de trein moest reizen.

Tot hij op een dag laat in de avond thuiskomt, na een lange dag van ongemakken tijdens de reis. Uren vertraging omdat er iemand voor de locomotief is gesprongen en het een enorme ravage met zich meebrengt. Hysterische reizigers, verbijsterd personeel en huilende vrouwen. Het trauma-team is snel ter plekke om bijstand te verlenen. De politie houdt nieuwsgierigen op een veilige afstand, want iedereen wil er met zijn neus bovenop.

Is er nog wat van te zien? Was het een flinke klap? D'r zal wel niet veel van over zijn, he. Zou het een bekende zijn? Je mot het maar durven.

En gelijk trekt men conclusies en komen er geruchten en verhalen in de wereld die een eigen leven gaan leiden. En niemand die de ware toedracht weet. Dat is ook van geen enkel belang.

Zo gaat het leven door. Je huivert, je siddert, je loopt door en je negeert. Je schudt gedachten van je af, omdat ze niet rijmen met het concept waarmee je opgroeit. Je stopt in een doofpot, omdat de dood nog steeds pas mag volgen na noodlottige ongelukken of terminale ziekten. En wie een natuurlijke dood sterft, is een fortuinlijk mens. Ora pro nobis.

Maar voor de zelfmoordenaar blijft weinig lof, weinig begrip voor het geestelijk lijden dat als een knagende rat in het ruim tot langzaam zinken brengt. Weinig inzicht in de ontwikkeling van een ziel, de schakeringen van een intellect dat naar onze maatstaven gemeten verknipt en gefrustreerd moet zijn, wanhopig en egoistisch. Of geestesziek.

Ik mis mijn broertje. ik mis een klankbord dat in een soort van samenzwering de vroegste herinneringen ophaalt, met de jeugdige jaren als bron van vreugde en vermaak*. De band hield op te bestaan, net toen ik me er terdege van bewust was geworden dat er naast mij een ander wezen was, van hetzelfde vlees en bloed, uit dezelfde moeder en vader.

Bij tijd en wijle proef ik zijn aanwezigheid, zoals een gehandicapt mens zich immer bewust blijft van geamputeerde lichaamsdelen.

En wanneer de wereld me in boosaardige hoedanigheid schijnt, wapen ik me met een cadeau dat zijn weerga niet kent:


Ik heb er werkelijk een broertje dood aan.